29 januari 2019

Bram publiceerde een artikel in het allereerste nummer van STORM, het nieuwe tijdschrift voor Die Keure over ruimtelijke ordening. In dit artikel gaat hij in op recente uitspraken van de Vlaamse bouwmeester.

Onze Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck gaat al enkele jaren de boer op met een binnenzak die tot de nok gevuld lijkt met aantrekkelijke en catchy oneliners. Ondanks pas in functie sinds 1 september 2016, lijkt de bouwmeester alom present. De media lust zijn stijl wel, en dus krijgt hij ook heel wat meer aandacht dan zijn voorgangers die meer de luwte verkozen.

Sommige uitspraken zorgen voor best wat beroering, zoals dat vrijstaand bouwen ‘crimineel’ zou zijn,[1] maar vaak zijn de oneliners duidelijk bedoeld als visjes die worden uitgegooid om een meer genuanceerde, en vaak ook terechte, boodschap te brengen: de dringende nood aan een grondige omslag in ons ruimtelijk beleid. In Alleen Elvis blijft bestaan gaf de bouwmeester overigens zelf ook aan dat topics soms enkel op de maatschappelijke of politieke agenda worden geplaatst dankzij uitspraken die de mensen wakker maken.[2]
Nuance verkoopt immers minder goed.

Volgens de bouwmeester hebben we ‘onze steden en het platteland vermoord’. ‘65% van de Vlamingen woont niet meer in de kern van een stad of dorp maar in de middle of nowhere’, zo stelt hij resoluut.[3] Hij trekt op die manier ten strijde, en daarvoor verdient hij een pluim. ‘Als je mensen een boot wil doen bouwen, dan moet je ze geen les geven over scheepsbouw, maar doen dromen over verre kusten‘, zo zei hij nog in Alleen Elvis blijft bestaan.    

Onze ruimte ligt aan diggelen.

Wat de ruimtelijke realiteit van Vlaanderen betreft, slaat de bouwmeester alvast nagels met koppen. Het is inderdaad tijd voor een echte reddingsactie voor onze ruimte. Vlaanderen is een van de dichtst bebouwde gebieden van Europa. We moeten kostbaar omgaan met de weinige ruimte die ons nog rest.

Net voor de jaarwisseling mocht dat nogmaals blijken.

Begin december publiceerde het departement omgeving haar allereerste ‘ruimterapport’.[4] Het onderzoek, en de analyse erin vervat, steunt in grote mate op cijfers uit 2013, omdat meer recente data vaak ontbreken. Wat er gebeurde met Vlaanderen tussen 2013 en 2018 -en dat is evident heel wat- zit dus niet in de studie verwerkt. Jammer natuurlijk. Al schept het ruimterapport dus geen beeld van onze ruimte op vandaag, toch geeft het rapport meteen aan wat er met onze ruimte scheelt: ze is vooral bijzonder versnipperd. Het hoge ruimtebeslag, de extreme verhardingsgraad (dubbel zo hoog als het Europese gemiddelde), de vele duizenden kilometer lintbebouwing, het ontbreken van echt verstedelijkt gebied, het nog steeds voortdurend verkavelen, het gebrek aan bossen: het zijn evenvele parameters die aantonen dat de grondige omslag waar onze bouwmeester voor pleit moeilijk van de pot gerukt kan zijn.

En als dat nog niet genoeg was, blijkt bovendien dan ook nog eens dat de aankondiging van de ‘betonstop’ blijkbaar precies het tegenovergestelde effect veroorzaakt. Waar de inname van open ruimte in 2015 een snelheid van 6 hectare per dag haalde, is dat vandaag ondertussen al vlot gestegen naar... 7 hectare per dag. ‘Open ruimte staat in de solden’, zo schreven enkele bezorgde specialisten net voor het kerstverlof in De Standaard.[5]

Er is inderdaad een groot verschil tussen wat op het terrein gebeurt, en wat in wollige, weinig concrete principes wordt gegoten. Het verkavelen gaat in snel tempo voort. Het aansnijden van woonuitbreidingsgebieden, waar nog geen visie rond is ontwikkeld, ook.

De principes worden in snelheid gepakt.

De zogenaamde ‘aankondigingspolitiek’, zonder daaraan ook daadkrachtig beleid te koppelen, zorgt hiervoor. Blaffende honden bijten niet. Waar de Vlaamse regering zich op de borst klopt met de op 20 juli 2018 goedgekeurde ‘strategische visie’ voor de opmaak van wat uiteindelijk het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen moet worden, is dit weinig meer dan een doekje voor het bloeden. Niet alleen lag dit document al een hele lange poos op de plank,[6] met veel onzekerheid en onduidelijkheid tot gevolg, maar wat finaal slechts werd goedgekeurd legt toch vooral een ontstellend gebrek aan daadkracht bloot. Er is vandaag nog geen Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, maar slechts een visietekst. Hetzelfde pad lijkt zich af te tekenen voor de aanpak van de woonreservegebieden en het instrumentendecreet die beiden nog doorheen de logge parlementaire molen moeten. Deze ontwerpdecreten voorzien veel mogelijkheden om aan ruimtelijk beleid te doen, maar de complexiteit viert helaas alweer hoogtij. Bovendien hebben deze decreten erg grote financiële gevolgen voor de overheden, waarvan de impact met al te veel nattevingerwerk moet worden bepaald.

Het zijn zonder meer lege hulzen als ze niet gekoppeld worden aan een daadkrachtig, afdwingbaar ruimtelijk beleid. De boterhammendoos ziet er dus leuk uit, maar als de boterhammen niet lekker zijn eet niemand ze op.

Een van de vele kernproblemen lijkt te zijn dat de broodnodige ruimteomslag een erg negatieve bijklank krijgt met het begrip ‘betonstop’. Waarom bijvoorbeeld niet spreken van een ‘betonswitch’? En moeten de ongelofelijke opportuniteiten die een ruimteomslag met zich kan meebrengen, ook voor eigenaars en ontwikkelaars, niet meer en beter worden benadrukt?

Het is niet omdat de schoolpoort gesloten is dat op de speelplaats niet meer kan worden gespeeld.

Bijna 9000 hectare van het bestaande ruimtebeslag komt jaarlijks beschikbaar voor herontwikkelings(kansen).[7]    

Een bouwkundige bananenrepubliek.

Even terug naar begin september vorig jaar. Toen gooide onze bouwmeester, naar aanleiding van een persconferentie over ‘Mijn thuis op maat’[8], een nieuwe steen in de kikkerpoel toen hij zei: ‘De autonomie van gemeenten maakt ons tot een bouwkundige bananenrepubliek, waarbij het kluwen aan regelgeving enkel goed is voor advocaten.’ Hij riep Vlaanderen op ‘om dit grotendeels weer in eigen handen te nemen en het voor de gemeenten terug te schroeven tot de essentie’.’[9]

Doordat gemeenten tegenwoordig ‘heel veel zelf kunnen beslissen’, zou er geen consistentie of samenhang meer zijn. Overal zouden andere normen voor bijvoorbeeld parkeerplaatsen of beeldkwaliteit bestaan, en ‘dat was nooit de bedoeling’. Het zou voor een ‘kakafonie’ aan regels zorgen en een stijging van het aantal dossiers bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb). De gemeentelijke autonomie zou op het vlak van ruimtelijke ordening destijds bedoeld zijn ‘voor gemeenten met zeer specifieke, unieke kenmerken.’ De bouwmeester verwijst naar steden en gemeenten met bijvoorbeeld veel huisvesting van studenten.

De bouwmeester opent zo een debat over de (de)centralisatie van ruimtelijk beleid, wat in de huidige ruimtelijke, toch zorgwekkende context, een actueel thema moet kunnen zijn.

Er duiken veel vragen op. Is Vlaanderen gaandeweg haar ruimtelijke slagkracht kwijtgeraakt? Is er een gebrek aan consistentie door de vele beslissingsmogelijkheden op gemeentelijk niveau? Is er hierdoor een stijging van het aantal dossiers bij de RvVb? En worden advocaten hier beter van?

En vooral: moeten of kunnen we ook iets oplossen?    

De minister geeft alvast niet thuis...

Wie had gehoopt dat de bevoegde minister Schauvliege deze uitspraken zou aangrijpen om verandering te brengen, of het debat te openen, lijkt er alvast aan voor de moeite.

Parlementslid Axel Ronse confronteerde de minister tijdens een commissievergadering van het Vlaams Parlement met de uitspraken van de bouwmeester, en hoopte hierover een dialoog te kunnen opstarten, maar hij ving, althans voorlopig, bot.[10] De minister antwoordde dat ze niet de ambitie heeft ‘om voor elke gemeente in Vlaanderen de specifieke lokale ruimtelijke inrichting en invulling te bepalen. Niemand is gebaat met een ruimtelijk beleid dat volledig en op generieke wijze vanuit Brussel wordt gedicteerd. Dat is trouwens de weg die we al heel lang zijn ingeslagen.’

De gemeentelijke autonomie voor het voeren van een ruimtelijk beleid is op vandaag nog steeds een hoofdingrediënt van onze ruimtelijke ordening: het opmaken van ruimtelijke beleidsplannen en uitvoeringsplannen, het goedkeuren van stedenbouwkundige verordeningen, het voeren van een vergunningenbeleid, het verlenen van planologische attesten, etc...

De uitspraak van de bouwmeester insinueert dat Vlaanderen als overkoepelende bestuursentiteit gaandeweg haar bevoegdheden over ruimtelijk beleid zou zijn kwijtgeraakt aan de gemeenten, maar dat klopt niet helemaal. De gemeenten vervullen al heel lang een prominente rol in het ruimtelijk beleid.

Tot voor de komst van een eerste globale stedenbouwregelgeving in 1962,[11] konden gemeenten eigenlijk vrij hun gang gaan bij het voeren van een ruimtelijk beleid, voor zover dat toen al überhaupt bestond. Via ‘besluitwetten’ waren er zowel rond de Eerste als de Tweede Wereldoorlog verwoede pogingen om gemeenten, bij de heropbouw na de oorlogsschade, te bewegen tot de opmaak van plannen van aanleg die als basis voor het invullen van de ruimte konden dienen, maar het resultaat daarvan was eerder mager. Het is pas met de stedenbouwwet dat een ernstige poging werd ondernomen om een evenwicht te creëren tussen een centraal niveau en de gemeentelijke autonomie.[12]

In de tweede helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw nam het Vlaams gewest de ruimtelijke handschoen pas écht op door het coördineren van de oude stedenbouwwet, het laten stemmen van het planningsdecreet dat structuurplanning moest mogelijk maken,[13] en finaal met het goedkeuren van een eerste écht decreet ruimtelijke ordening[14]. Het is in deze decretale beweging dat de ‘subsidiariteit’ tussen de verschillende beleidsniveaus,[15] met onderscheiden bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening, een grote rol ging spelen en de teugels opnieuw wat losser kwamen. De decreetgever was er duidelijk van overtuigd dat met een verdere decentralisering belangrijke beleidsdoelstellingen inzake ruimtelijke ordening in Vlaanderen beter zouden kunnen worden bereikt.[16]

Sinds die tijd zijn er drie bevoegde niveaus op het vlak van ruimtelijk beleid: de gemeente, de provincie en het gewest. De ontvoogdingsgolf van de gemeenten volgde en heeft de mogelijkheden op gemeentelijk vlak om ruimtelijk beleid te voeren enkel nog groter gemaakt. En die tendens zet zich alleen maar door; zo is ondertussen bijvoorbeeld ook de goedkeuringsnoodzaak van de hogere overheid -de deputatie of de Vlaamse regering- verdwenen in de opmaakprocedure van een ruimtelijk uitvoeringsplan.[17]

Het principe van ‘subsidiariteit’ moet het evenwicht vormen tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus: elke bevoegde overheid moet aandacht hebben voor de aangelegenheden die het best op dat betrokken niveau worden geregeld. Een beslissing op een hoger niveau is enkel dan te verantwoorden als het belang of de reikwijdte ervan het lagere niveau duidelijk overstijgt. Een hoger niveau treedt dus maar op voor zover de doeleinden van het overwogen optreden niet voldoende door het lagere niveau kunnen worden verwezenlijkt.[18] Ook al gaf de Raad van State (RvS) al meermaals aan dat er een ruime appreciatiemarge gekoppeld is aan het beginsel van subsidiariteit,[19] toch blijkt het principe ook juridisch afdwingbaar.[20]

Subsidiariteit vormt vandaag mee de basis van de manier waarop de verschillende bevoegde overheden onderling aan het ruimtelijk beleid moeten werken. Dat houdt natuurlijk niet in dat de huidig bevoegde overheden ook bevoegd moeten blijven, maar het staat buiten kijf dat de lokale overheden steeds een grote rol hebben gespeeld bij het voeren van een ruimtelijk beleid en dat onze regelgeving in grote mate is gestoeld op die zienswijze.    

De verordening als ‘the next best thing’

De aanval die de bouwmeester inzet op de stedenbouwkundige verordeningen is dan wel weer terecht. De slinger is op dat vlak toch wat te ver doorgeslagen. Uit het reeds vermelde ruimterapport komt immers ook naar voor dat in Vlaanderen maar liefst 766 stedenbouwkundige verordeningen van kracht zijn, waarvan er amper tien geen gemeentelijke oorsprong hebben. Bijvoorbeeld ook de architecten blijken niet gelukkig te zijn met deze wildgroei.[21]

Deze stedenbouwkundige verordeningen bevatten allerlei voorschriften, van parkeernormen over minimale oppervlakten voor gebouwen tot beeldkwaliteitsvereisten. Waar in Kortrijk bijvoorbeeld 2 autostaanplaatsen nodig zijn voor een nieuwe eengezinswoning van meer dan 200 m², is dat in Brugge al vanaf 150 m². De voorbeelden van dergelijke lokale verschillen zijn legio.

De VVSG ziet geen graten in de kritiek van de bouwmeester en stelt dat ‘maatwerk in ruimtelijke regels’ een ‘noodzaak’ is. Ze wijst erop dat de ruimtelijke context in gemeenten erg uiteenlopend kan zijn zodat locatiespecifieke voorschriften gerechtvaardigd kunnen zijn.[22] Dat klopt natuurlijk, maar de vraag stelt zich wel of voor die specifieke ruimtelijke situaties dan niet beter wordt overgegaan tot de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Veel van de voorschriften in stedenbouwkundige verordeningen zijn immers niet locatiespecifiek, maar algeheel van toepassing op het grondgebied van de volledige gemeente(n). Op die manier is het argument van enige locatiegebondenheid toch wat uitgehold. Ook binnen een gemeente of stad zijn er immers ruimtelijke verschillen. Bovendien kan ook een ruimtelijk uitvoeringsplan thematisch van opzet zijn.[23]

In de dagelijkse realiteit lijkt de stedenbouwkundige verordening op lokaal niveau steeds meer een handige tool te worden om de meer omvangrijke procedure van de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan te kunnen vermijden of omzeilen.[24]  De grens tussen een ruimtelijk uitvoeringsplan en een verordening is immers flinterdun, zo stelde ook het Europees Hof van Justitie (HvJ) recent trouwens vast in een arrest waarbij werd geoordeeld dat de Brusselse gewestelijke stedenbouwkundige verordening als een ‘plan of programma’ kan worden beschouwd en dus een milieueffectenrapport noodzakelijk is.[25] Het is bekend dat ook in Vlaanderen voor de vele verordeningen geen dergelijk onderzoek werd uitgevoerd. Of dit nodig was zal de tijd moeten uitwijzen, maar een nieuwe splinterbom lijkt in de maak.[26]

De lokale besturen zoeken duidelijk uitwegen voor de zware en dure procedure om een ruimtelijk uitvoeringsplan vast te stellen. Niet alleen via verordeningen, maar vaak ook via beleidsplannen sui generis. De ‘masterplannen’ duiken op als paddenstoelen uit de grond, en via de ‘beleidsmatig gewenste ontwikkelingen’ vindt de inhoud daarvan ingang in het ruimtelijk beleid of de vergunningverlening.[27] Dergelijke plannen creëren echter erg veel rechtsonzekerheid, voor zowel aanvragers als derden: ze mogen, maar moéten immers niet worden toegepast, en die vrijblijvendheid zorgt vaak voor willekeur.

De wildgroei aan verordeningen en plannen allerhande doet onze ruimtelijke kwaliteit geen goed. Hoe dan ook moet het zeker mogelijk zijn tal van inhoudelijke aspecten van de gemeentelijke verordeningen onderling beter af te stemmen, en desgevallend in een provinciale of gewestelijke stedenbouwkundige verordening te gieten, te vergelijken met de verordening inzake toegankelijkheid.[28] Er zou ook kunnen worden overwogen om de materies waarover een gemeenteraad een stedenbouwkundige verordening kan vaststellen, wat meer te beperken. Vandaag is dat een ellenlange waslijst die bovendien niet limitatief lijkt te zijn omschreven.[29] Ook zijn tal van opgenomen topics niet specifiek eigen aan de ene of andere gemeente, zoals ‘de bewoonbaarheid van woningen’, de ‘thermische en akoestische kwaliteit’, ‘de veiligheid van wegen’, of ‘de gezondheid van bouwwerken’.

Verder kunnen lokale besturen er ook gewoon voor opteren om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te stellen dat, gebiedsdekkend of thematisch, bepaalt wat waar mogelijk moet zijn. Op die manier worden de rechten van de burger ook veel beter gegarandeerd, want die meer uitvoerige procedure voorziet in principe sowieso wel in een milieueffectenonderzoek. Voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan heffen bepalingen uit verordeningen ten andere ook van rechtswege op.[30]    

Ruimteregio’s.

De noodkreet van de bouwmeester geniet ook bijval waar hij stelt dat het tijd is voor het herbekijken van de bevoegdheidsstructuur inzake ruimtelijk beleid. De (de)centralisering van het ruimtelijk beleid was al meermaals het voorwerp van discussie, maar het stof wordt er toch best opnieuw even afgeveegd. We moeten dringend een ruimteomslag maken, en dan zijn grote veranderingen verantwoord, of zelfs vereist. Innovatie zal ook in ons ruimtelijk beleid nodig zijn.

In die zin moet de vraag worden gesteld of de huidige drietrapsraket van bevoegde overheden voor de totstandkoming van ruimtelijk beleid wel houdbaar is. Moeten we het ruimtelijk beleid ook op regionaal niveau niet beter organiseren om echt grondige keuzes te kunnen maken? Moeten we de lokale autonomie op dit punt niet toch wat terugschroeven? Of minstens de lokale besturen de mogelijkheid bieden om dergelijke keuze te maken?

We moeten de vraag durven stellen, en het debat voeren.

Hoe dan ook biedt de huidige regelgeving ook al kansen om een meer gestructureerd ruimtelijk beleid, over de gemeentegrenzen heen, te voeren. Alle gemeenten moeten in de nabije toekomst een ‘beleidsplan ruimte’ opstellen.[31] Met de installaties van de nieuwe gemeenteraden net achter de rug, lijkt dit ook het ideale moment hiervoor.

De Vlaamse regering maakte het mogelijk om aan intergemeentelijke beleidsplanning te doen en verschillende gemeenten een intergemeentelijk beleidsplan ruimte te laten maken.[32] In 2012 al voerde onder meer de KU Leuven een onderzoek uit naar de voor het Vlaams ruimtelijk beleid relevante vormen van intergemeentelijke samenwerking. Daaruit bleek dat de mogelijkheid die Vlaanderen ook toen al bood voor het opstellen van een intergemeentelijk ruimtelijk structuurplan niet werd benut.

Toch liggen de kaarten voor een verregaande intergemeentelijke beleidsplanning ook nu niet zo goed. Realisatiegerichte gebiedswerking werd recent nog grondig onderzocht,[33] maar zonder voldoende heldere strategie die er vandaag nog niet of nauwelijks is, leidt dit meestal nog niet tot de gewenste resultaten. Als echt knopen moeten worden doorgehakt over het aanwenden van ruimte, of grondige aanpassingen ervan, lijken gemeenten vandaag liever zélf over hun ruimtebeleid te zullen willen beslissen.

In de strategische visie Beleidsplan Ruimte Vlaanderen wordt erkend dat ‘functionele gebieden’, waarbij stadscentra en dorpen functioneren als één stad, bestaan, en dat verdere evolutie naar realisatiegerichte gebiedswerking nodig is,[34] maar misschien moeten we een stap verder durven gaan. De stem voor sterkere regio’s duikt steeds vaker op, overigens niet enkel voor het voeren van een ruimtelijk beleid.

Eerst en vooral beschikken gemeenten niet altijd over de nodige kennis, middelen en mensen om een performant en daadkrachtig ruimtelijk beleid te voeren. Dit blijkt trouwens ook uit de realiteit. Ruimtelijke structuurplannen zijn er ondertussen wel overal, maar bij de uiteindelijke omzetting van het ruimtelijk gewenste beleid draaien er op de ene of andere manier vaak stokken in de wielen. Opnieuw uit het ruimterapport blijkt immers dat anno 2017 nog steeds in 80 procent van de gevallen bij vergunningsaanvragen de gewestplannen de enige geldende verordenende plannen zijn, meer dan twintig jaar na het invoeren van de ruimtelijke uitvoeringsplannen die alle plannen van aanleg moesten vervangen. De gemeenten hebben ook hun handen vol met het beheersen van het vergunningenluik.

Verder is er een voorzichtige, maar duidelijke nieuwe fusiebeweging bij de gemeenten aan de gang. Ondertussen zijn al 15 gemeenten vrijwillig in een fusietraject gestapt om aan schaalvergroting te doen. Grotere stedelijke kernen kunnen mogelijk leiden tot een meer performant eigen lokaal beleid. Ook de minister geeft in haar beleidsbrief  2018-2019 aan verder in te zetten op bovenlokale gebiedswerking.[35]

Tot slot is duidelijk dat het provinciaal niveau steeds verder wordt afgeslankt,[36] maar vandaag wel nog steeds over belangrijke bevoegdheden inzake ruimtelijk beleid beschikt. Het opstellen van een ruimtelijk beleidsplan komt ook de provincie toe, en de deputaties hakken in tal van lokaal erg belangrijke vergunningsdossiers vandaag nog steeds heel veel knopen door.

Waar de minister aangeeft de gemeenten hun bevoegdheden niet te willen ontnemen, en de bouwmeester vraagt om een meer gecentraliseerde  gewestelijke aanpak, ligt de oplossing dus misschien ergens in het midden. De bevoegdheden rond ruimtelijk beleid (ruimtelijke beleidsplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen) zouden kunnen worden overgedragen aan zogenaamde ‘ruimteregio’s’.

Er zijn in Vlaanderen op basis van het RSV dertien stedelijke gebieden: Antwerpen, Gent, Aalst, Brugge, Hasselt-Genk, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout.[37]
Deze stedelijke gebieden kunnen als vertrekpunt dienen om de contouren van de verschillende ruimteregio’s af te lijnen en de krachten regionaal te bundelen.

Er zouden decretaal meer mogelijkheden moeten zijn voor lokale besturen om een stap verder te gaan dan intergemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen. Bevoegdheden zoals het vergunningenbeleid zouden de lokale besturen zelf kunnen behouden, maar het oprichten van ruimteregio’s kan een beter ruimtelijk beleid inleiden op lokaal niveau, zonder ook de noodzaak aan lokaal beleid uit het oog te verliezen. Elke regio is anders en heeft zijn eigen ruimtelijke kenmerken. Bovendien zullen ruimteregio’s vermoedelijk een stuk slagkrachtiger zijn om noodzakelijke ruimtelijke keuzes te maken, gekoppeld aan de mogelijke financiële gevolgen ervan. In deze organisatie zou op vlak van ruimtelijk beleid geen plaats meer zijn voor een provinciaal niveau, maar zou de subsidiariteit kunnen spelen tussen het gewestelijk niveau enerzijds, en de ruimteregio’s anderzijds.

Zo, die stok is, opnieuw, in het hoenderhok.    

De advocaat in de slipstream

Tot slot nog dit. Dat het kluwen van regels volgens de bouwmeester enkel, of toch vooral goed zou zijn voor advocaten, is een beetje flauw. Ook advocaten, en zeker hun cliënten, zijn niet gebaat bij onnodige complexiteit van de regels.

Het klopt ook niet dat er een correlatie zou zijn tussen een groeiende gemeentelijke autonomie en een stijging in het aantal dossiers bij de RvVb. Niet alleen blijkt het aantal dossiers bij de RvVb al een aantal jaren grotendeels stabiel,[38] maar bovendien zijn ook gemeentelijke beslissingen nauwelijks rechtstreeks het voorwerp van een procedure bij de RvVb.[39] Ook werd de RvVb pas op 1 september 2009 opgericht, en werd de ontvoogding van gemeenten ondertussen al bijna 20 jaar geleden in de regelgeving ingezet.[40]  

Het is goed om met welgemikte oneliners het debat aan te zwengelen, maar waar nodig mag er ook nog steeds plaats blijven voor enige nuance.

Bram Vandromme.

Referenties.

[1] “Nu nog vrijstaand bouwen is crimineel”, Knack 5 december 2017.

[2] “Alleen Elvis blijft bestaan”, VRT.be 27 oktober 2018.

[3] “We hebben onze steden vermoord en we hebben het platteland vermoord”, VRTNWS.be 4 oktober 2018.

[4] https://www.omgevingvlaanderen.be/ruimterapport.

[5] “Open ruimte staat in de solden”, De Standaard 24 december 2018.

[6] Het ‘Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen’ werd al op 30 november 2016 goedgekeurd door de Vlaamse regering.

[7] Zie pagina 7 Strategische Visie Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.

[8] www.mijnthuisopmaat.be.

[9] ‘Vlaamse bouwmeester haalt uit: We zijn een bouwkundige bananenrepubliek’, Het Nieuwsblad 8 september 2018.

[10] Parl.St. Vl.P. 23 oktober 2018, vergadering commissie voor leefmilieu, natuur, ruimtelijke ordening, energie en dierenwelzijn, vraag om uitleg over de ‘bananenrepubliek’ Vlaanderen op het vlak van ruimtelijke ordening van Axel Ronse aan minister Joke Schauvliege, nr. 6 (2018-2019).

[11] Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw (BS 12 april 1962).

[12] Zie ook M. VAN DAMME, “Het ruimtelijke ordeningsdecreet van 18 mei 1999 in historisch perspectief”, in B. HUBEAU (ed.), Het nieuwe decreet op de ruimtelijke ordening, 1999, Brugge, die Keure, 8.

[13] Het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning (BS 27 juli 1996).

[14] Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (BS 8 juni 1999).

[15] De gemeente, de provincie en het Vlaams gewest.

[16] Zie ook P. VERVOORT e.a., Groeien van government naar governance met subsidiairiteit als rode draad doorheen het ruimtelijk beleid in Vlaanderen, www.ruimtelijkeordening.be.

[17] Zie de artikelen 2.2.16 en artikel 2.2.23 VCRO, laatst gewijzigd bij decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (BS 20 december 2017).

[18] Parl.St. Vl. P. 1998-1999, stuk 1332, nr. 8, 9.

[19] Zie bijvoorbeeld RvS 22 februari 2010, nr. 201.138, gemeente Kruibeke en RvS 28 juni 2011, nr. 214.211, Casier.

[20] Zie het belangwekkende arrest van de RvS van 29 april 2013 waarin daartoe een aanknopingspunt wordt gezocht in de richtinggevende bepalingen van het RVS (RvS 29 april 2013, nr. 223.318, nv Gupafa Logistics).

[21] “Gemeentelijke bouwverordeningen: dringend meer orde in de chaos nodig”, www.nav.be 10 september 2018.

[22] “Maatwerk in ruimtelijke regels is een noodzaak”, www.VVSG.be 11 september 2018.

[23] Een goed voorbeeld is het ‘RUP 167 Stedelijk Wonen’ van de stad Gent, definitief vastgesteld door de gemeenteraad van de stad Gent op 27 juni 2017 (BS 14 augustus 2017).

[24] Zie bijvoorbeeld B. VANDROMME, “Het beeldkwaliteitsplan van Kortrijk is als een goed bed, maar met stinkende lakens”, www.bramvandromme.be

[25] HvJ 7 juni 2018, C-671/16, Inter-Environnement Bruxelles asbl e.a. tegen Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

[26] Zie ook de commentaar bij die arresten elders in dit nummer van STORM (M. STRUBBE, “Voor elke stedenbouwkundige verordening een plan-MER?”).

[27] Zie artikel 4.3.1 §2 VCRO.

[28] Zie BVR van 5 juni 2009 tot vaststelling van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid  (BS 2 september 2009).

[29] Zie hiervoor artikel 2.3.1 VCRO, dat in punt 13° ‘...’ bevat.

[30] Artikel 2.3.3 VCRO.

[31] Zie artikel 2.1.11 VCRO e.v. en het BVR van 30 maart 2018 houdende de nadere regels voor de opmaak, de vaststelling en de herziening van ruimtelijke beleidsplannen (BS 25 april 2018).

[32] Zie artikel 52 e.v. van het BVR van 30 maart 2018 tot bepaling van nadere regels voor de opmaak, de vaststelling en de herziening van ruimtelijke beleidsplannen en tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering in het kader van de regeling van de ruimtelijke beleidsplanning (BS

25 april 2018).

[33] E. TERRYN, e.a. (2018), Vergelijkende evaluatie van realisatiegerichte gebiedswerking in Vlaanderen, uitgevoerd in opdracht van het Vlaams Planbureau voor Omgeving, www.ruimtelijkeordening.be.

[34] Zie pagina 13 en 14 van de Strategische visie Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.

[35] Beleidsbrief Omgeving 2018-2019, Parl.St. Vl.P. 2018-2019, stuk 1717, nr. 1, 26 oktober 2018.

[36] Decreet van 18 november 2016 houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering  van de provincies (BS 13 december 2016).

[37] www.rsv.ruimtevlaanderen.be.

[38] Het jaarverslag 2017-2018 van de DBRC leert dat er wel weer sprake is van een lichte stijging. Tijdens het werkjaar 2017-2018 werden er 916 dossiers ingediend, terwijl de gemiddelde instroom van de negen werkjaren 861 zaken bedraagt (zie pagina 28), www.dbrc.be

[39] Er zijn wel wat uitzonderingen (zie bijvoorbeeld artikel 5.1.3 §3 VCRO wat betreft de registratiebeslissingen inzake het vermoeden van vergunning). 

[40] Via artikel 193 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (BS 8 juni 1999).

We moeten echt worden verlost van het begrip 'betonstop'. Het is niet omdat de schoolpoort gesloten is dat op de speelplaats niet meer kan worden gespeeld.