12 december 2018

Gisteren werd in Kortrijk het "Beeldkwaliteitsplan" voorgesteld. Dit plan zou het beeld van de stad moeten bewaken. Toch zijn er zorgen rond dit plan en mogelijk niet helemaal onterecht.

De goedkeuring van een "beeldkwaliteitsplan" (BKP) kadert in een beleidsplan 'beeldkwaliteit' van de stad  Kortrijk dat bestaat uit de opmaak van een beeldkwaliteitsplan, een herwaardering van de inventaris bouwkundig erfgoed en de oprichting van een beeldkwaliteitskamer (BKK).

Meer informatie hieromtrent vindt u hier terug in de notulen van de gemeenteraad van 12 maart 2018 (zie punt 19 2018_GR_00073) en hier in de notulen van de gemeenteraad van 10 september 2018 (zie punt 11 2018_GR_0023).

Het beeldkwaliteitsplan zelf kan u hier terugvinden.

Een bindend beleidskader.

Het beeldkwaliteitsplan (BKP) wordt, althans volgens de notulen van de gemeenteraad, opgevat als een bindend beleidskader. Het wordt beschouwd als een "aanvulling" op de algemene stedenbouwkundige verordening van de stad Kortrijk (BS 16 april 2013) en de inventaris van het bouwkundig erfgoed en ter vervanging van het gabarietenplan van de Stad Kortrijk.

Alle (ver)bouwprojecten in de binnenstad, de architecturaal waardevolle stadswijken en de kernen in de rand zouden moeten rekening houden met dit beeldkwaliteitsplan.

Uit wat bestaat het plan? 

Het plan bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds een brochure (met vermelding van de zones en de basisprincipes), en anderzijds 21 verschillende zonefiches.

Ruimtelijke keuzes voor de stad. 

Uit de beslissing van de gemeenteraad van 10 september 2018 blijkt dat het plan "ruimtelijke keuzes" zou maken over de omgang met het waardevol erfgoed in onze stad en legt de stedenbouwkundige randvoorwaarden en nieuwbouwmogelijkheden vast in een samenspel tussen oud en nieuw.

Het plan zou de potentiële projectontwikkelaar/ bouwer het kader tonen waarbinnen een bouwproject "moet" worden uitgewerkt. Op basis van de lezing van de plek en de opportuniteiten van de omgeving en de bouwplaats worden de kwaliteiten vastgelegd ahv. referentiebeelden. Uitgaande van de basisprincipes worden de ontwerpcriteria bepaald.

Hoe gaat het in zijn werk?

Wie een aanvraag wil indienen m.b.t. een onroerend goed dat binnen de 'afgebakende zones van het BKP' ligt, 'moet' rekening houden met het behoud en de versterking van de erfgoedwaarden in het straatbeeld en moet daarom een 'contextnota' toevoegen aan de aanvraag.

Deze contextnota bevat onder meer een analyse van de erfgoedwaarden van het goed zelf en een referentiebeeld van de straat of de wijk. 

Het plan staat mogelijk toch op erg wankele poten.

Niemand die eraan twijfelt dat beeldkwaliteit in een stad van belang is, of kan zijn, maar het Beeldkwaliteitsplan, en bij uitbreiding het beleidsplan in haar totaliteit, kan een vervelende angel worden in het ruimtelijk beleid van de stad Kortrijk. Alvast enkele eerste bedenkingen: 

1. Bindend?

Een 'beleidsplan' bevat uit haar aard géén verordenende of bindende voorschriften. Het is contradictoir dat de stad doet uitschijnen dat het beeldkwaliteitsplan een bindend kader zou vormen, terwijl mogelijk bij een administratief beroep, dit kader niet als basis hoeft te dienen om over het project te oordelen.
Een beleidsplan biedt aan geen van de betrokken actoren voldoende rechtszekerheid. Ook aan de stad zelf niet trouwens.

Trouwens ook artikel 4.1.8 van het Onroerenderfgoeddecreet stelt letterlijk dat zelfs de opname van een goed in een vastgestelde inventaris (zoals van bouwkundig erfgoed) in beginsel geen weigeringsgrond vormt voor eender welke vergunning of machtiging...

2. Waar zit de rechtsgrond verstopt?

De juridische basis waarop dit plan steunt, is erg licht. Er wordt in algemene termen naar het onroerend erfgoeddecreet verwezen, maar een concrete rechtsbasis wordt niet gegeven.

Bovendien is het maar zeer de vraag of de regelgeving rond onroerend erfgoed een rechtsbasis kan vormen voor het bepalen van ruimtelijke keuzes en zoneringen (met 'criteria'). Daarvoor dient in eerste plaats een bestemmingsplan, zoals een RUP. Was dat geen betere optie?

3. De splinterbom bij stedenbouwkundige verordeningen.

Indien het beeldkwaliteitsplan een 'aanvulling' moet gaan vormen van de algemene stedenbouwkundige verordening, dan is maar de vraag of het er ook deel van uit maakt. Zo ja, dan dient daarvoor de geijkte procedure te worden gevolgd, wat niet is gebeurd. Bovendien is, n.a.v. rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, nog steeds niet uitgesloten dat ook stedenbouwkundige verordeningen, en dat zal bij wijzigingen of aanvullingen niet anders zijn, plan-merplichtig zouden zijn.

Als dan uit de notulen van de gemeenteraad van 10 september 2018 blijkt dat het plan "ruimtelijke keuzes" zou maken over de omgang met het waardevol erfgoed in onze stad en de stedenbouwkundige randvoorwaarden en nieuwbouwmogelijkheden vast moet leggen, dan wordt dit eens te meer erg wankel.

4. Oeps, contextnota vergeten. Wat dan?

Wat als een aanvrager geen contextnota voegt bij zijn aanvraag? Beschikt de stad over de mogelijkheid om het dossier onvolledig te verklaren? Zo ja, op welke basis? Dit is nog onduidelijk. 

5. De adviesrol van de kamer.

Ik blijf me stevig vragen stellen bij de adviesrol die de Beeldkwaliteitskamer kan gaan spelen bij de beoordeling van omgevingsvergunningsaanvragen.

Eerst en vooral: als er sprake is van een aanvraag aan of in een beschermd goed, moet advies worden gevraagd aan het Agentschap Onroerend Erfgoed. Enkel als blijkt dat de aanvraag strijdig is met 'direct werkende normen', moet de vergunningverlener de vergunning ook weigeren. 

Wat is de verhouding tussen de twee adviesinstanties? En quid bij verschil in advies? Dat het beeldkwaliteitsplan geen direct werkende norm is, lijkt in de sterren geschreven. En beschouwt de stad het advies van de beeldkwaliteitskamer als bindend? Dat de stad toch van plan is stevig gewicht te geven aan het advies, blijkt meteen al uit het eerste persbericht dat enkele maanden terug verscheen (zie ook in de krant). Wanneer en door wie moet het advies van de Beeldkwaliteitskamer worden ingewonnen? Uit de documenten blijkt dat zowel de stad zelf, als de opdrachtgever zelf, het initiatief tot advies kan nemen. Maar wanneer dan exact? Tijdens het doorlopen van de aanvraag, na het indienen ervan, mét de contextnota? Moet dan een aanvrager zélf het initiatief nemen om advies te vragen? Of is dat enkel in een context vooraf?

Maar ook: zal het advies van de beeldkwaliteitskamer deel uitmaken van het openbaar onderzoek? Zal het worden overgemaakt aan andere adviserende instanties? En welke rol zal dit advies spelen bij een administratief beroep? En blijkbaar kan de kamer afwijken van het Beeldkwaliteitsplan, maar die criteria zijn toch wel erg vaag? 

Ook het gegeven dat de bevoegde schepen, mee onderdeel van het college dat uiteindelijk over de aanvraag moet beslissen, meeschuift aan de tafel van de Kamer als voorzitter, lijkt mij, louter vanuit zijn of haar functie navolgend, geen goede zaak. Ook al is er geen stemrecht.

De verhouding met de bevoegdheid van de gemeentelijke omgevingsambtenaar, die onafhankelijk en neutraal moet kunnen optreden en advies verlenen (zie artikel 9 en 29 Omgevingsvergunningsdecreet), lijkt ook wat zoek. Kan deze ambtenaar bij zijn later advies zélf afwijken van het advies van de Kamer (waarvan hij zelf onderdeel van uitmaakt)? Komt zijn neutraliteit en onafhankelijkheid dan niet in het gedrang?

Etc... Een goed bed, maar stinkende lakens.

Beeldkwaliteit is belangrijk, daar twijfelt niemand aan. Ook voor de stad Kortrijk en ook bij het beoordelen van omgevingsvergunningsaanvragen. De angel van dit beeldkwaliteitsbeleid zit erin dat het mogelijk al te weinig is afgestemd op de regelgeving in zowel de VCRO, als het Omgevingsvergunningsdecreet. Dit kan nefast zijn voor de goede bedoelingen die de stad met dit plan heeft. Maar dit kan ook voor rechtsonzekerheid zorgen voor zowel aanvragers, als omwonenden. 

Het beleidsplan 'beeldkwaliteit' kan een vervelende angel worden in het ruimtelijk beleid van de stad.